Toelichting leesrooster


Hieronder treft u een toelichting aan op het leesrooster zoals dat ook in ‘De Berichten’ is verschenen.

In de Algemene Leden Vergadering is afgesproken dat we voortaan uitgaan van één lezing van het oecumenisch leesrooster. De voorganger en voorbereiders hebben de keus zelf eventueel een bijpassende tweede (bijbel)tekst te kiezen.

In dit Lutherjaar volgen we vanaf Pinksteren tot Advent het Luthers leesrooster, behoudens de zondagen van ZMA en van de cycli.

16 september: Jesaja 45,20-25 en Marcus 9,14-29

Vanuit de stilte en de intensieve ervaring op de berg komt Jezus met drie van zijn leerlingen terug naar de bedrijvigheid van de menigte en het onvermogen van zijn aanhangers. Het is haast onmogelijk om niet te denken aan die andere afdaling na een ontmoeting met God op de berg(Mozes), die eveneens eindigde met de ontnuchterende constatering van een om zich heen grijpend ongeloof.

Vandaag begint de Vredesweek met als thema: ‘Generaties voor Vrede!’ Zoals oorlog geen onderscheid maakt naar leeftijd, maar iedereen raakt, zo kunnen alle generaties, jong en oud, zich inzetten voor vrede, ieder op zijn of haar eigen manier en óók gezamenlijk.

Vanwege vredeszondag kunnen er ook andere teksten gekozen worden.

23 september t/m 14 oktober: cyclus met teksten van Etty Hillesum

TOELICHTING BIJ DE VIERINGEN 23 SEPTEMBER -25 NOVEMBER

Etty Hillesum (Middelburg 1914-Auschwitz 1943) was het oudste kind uit een joods gezin. Haar moeder was in 1907 na een pogrom gevlucht vanuit Rusland.
In 1940 werd haar vader door de bezetter ontheven van zijn functies als rector en leraar klassieke talen aan het gymnasium in Deventer.
Begin jaren ‘40 studeerde Etty rechten en Slavische talen. Ze was chaotisch, egocentrisch en bij vlagen depressief. De handleeskundige Julius Spier, eveneens van joodse komaf, leerde haar daarmee om te gaan en adviseerde een dagboek te beginnen. Ook bracht hij haar in contact met de Bijbel en met AugustinusHaar korte leven kende vele facetten, zoals de gretigheid en de volledigheid waarmee zij leefde, haar literaire aspiraties, het ‘werken aan zichzelf,’ haar onbevangen seksuele openheid, haar lichtende aanwezigheid naar de mensen om haar heen, tot in de allergrootste nood van verdrukking, vervolging en vernietiging, haar intieme omgang met God, die zij in zichzelf en in anderen vond, los van traditionele joodse of christelijke beelden en gewoonten.
In 1942 kreeg zij een baantje bij de joodse raad; op haar eigen verzoek werd zij overgeplaatst naar kamp Westerbork, om het lot van haar volk te delen, daar verbleef zij acht maanden Op 7 september 1943 werd zij met haar familie op transport naar Auschwitz gezet, waar zij op 30 november zou zijn omgekomen.
De verschrikkingen van de Tweede Wereldoorlog waren voor Etty een snelkookpan.
In twee jaar tijd maakte zij een ontwikkeling door waarvoor een heel leven zelden voldoende is. De titel van één van de bloemlezingen uit haar dagboeken,
Het verstoorde leven; lijkt daarom ongelukkig gekozen.
Het was een voldragen leven, getuigend van een zin die alle zinloosheid overstijgt.

23 september Zondag-Morgen-Anders
Om haar ontwikkeling te schetsen hebben we gekozen voor twee passages uit de eerste maand van haar dagboek en enkele passages uit: Het verstoorde leven.
Wie Etty Hillesum leest wordt getroffen door de eigentijdsheid van haar spiritualiteit.
Ze zocht het goddelijke in haar eigen binnenste en ze vond het daar ook. En ‘dat lijkt me de enige les van deze oorlog,’ schreef ze in haar dagboek, ‘dat we geleerd hebben dat we het alleen in onszelf moeten zoeken en nergens anders.’

30 september
Er is iets met me aan het gebeuren en ik weet niet of dat zomaar een stemming is of iets werkelijk. Het is of ik met een ruk op m’n eigen basis ben teruggekeerd. Een klein beetje zelfstandiger en onafhankelijker. Gisteravond op de fiets door de koude donkere Lairessestraat, ik wilde dat ik kon herhalen wat ik toen hardop zat te prevelen:
God, neem me aan uw hand, ik zal braaf meegaan, zonder veel verzet. Ik zal me aan niets onttrekken van alles wat in dit leven op me aanstormt, ik zal het naar beste krachten verwerken. Maar geef me af en toe een kort ogenblik van rust. Ik zal ook niet meer denken, in m’n onnozelheid, dat de vrede, als die over me komt, eeuwig is, ik zal ook aanvaarden de onrust en de strijd die er dan weer komen. Ik ben graag in de warmte en in de veiligheid, maar zal ook niet opstandig worden als ik de kou inga, as het dan maar aan uw hand is. Ik zal overal meegaan aan uw hand en zal proberen niet bang te zijn. Ik zal proberen iets van de liefde, van de echte mensenliefde die er in me is, uit te stralen, waar ik ook ben. Maar ook met dit woord ‘mensenliefde’ moet je niet pralen. Je weet niet of je die bezit. Ik wil niets bijzonders zijn, ik wil alleen proberen die te zijn die er in me nog naar volle ontplooiing zoekt. (Het verstoorde leven, pp. 61-62, half november 1941)

Zo begon het, een vrome oprisping, een vlaag van dapperheid in een beangstigende tijd. Een moment van afstemming, van contact met je diepste zelf. Je kent ze vast ook uit je eigen leven; hoe gemakkelijk gaan ze verloren in de vele afleidingen van het leven van alledag. Etty geeft een vertaling naar het dagelijks leven met haar uitersten. De kunst bestaat erin om met je diepste zijn in beide uitersten aanwezig te blijven.
Zo werd zij ‘en passant’ een mystica.

7 oktober
Het levensgevoel is zo groot en sterk en rustig en dankbaar in me, dat ik maar helemaal niet meer proberen zal het in één woord uit te drukken. Er is zo een volmaakt en volkomen geluk in me, mijn God. Het is toch weer het beste uitgedrukt met zijn woorden: ‘ruhen in sich.’ En hiermee is misschien het meest volkomen uitgedrukt mijn levensgevoel: ik rust in mijzelve. En dat mijzelve, dat allerdiepste en allerrijkste in mij, waarin ik rust, dat noem ik ‘God’. (…) Zo voel ik me, altijd en ononderbroken: of ik in jouw armen lig, mijn God, zo beschut en zo geborgen en zo van eeuwigheidsgevoel doortrokken. En het is net of iedere kleinste ademtocht van mij doortrokken is met eeuwigheidsgevoel en de kleinste handeling en het geringste gezegde heeft z’n grote achtergrond en z’n diepere zin.
Zelfs als men een kwaal in z’n lichaam heeft, kan de geest toch doorwerken en vruchtbaar zijn? En liefhebben en ‘hineinhorchen’ in zichzelf en in anderen en in de samenhangen van dit leven en in jou. ‘Hineinhorchen,’ ik wilde dat ik daar een goede hollandse uitdrukking voor kon vinden. Eigenlijk is mijn leven één voortdurend ‘hineinhorchen,’ in mijzelf, in anderen, in God. En als ik zeg: ik ‘horch hinein,’ dan is het eigenlijk God in mij, die ‘hineinhorcht.’ Het wezenlijkse en diepste in mij dat luistert naar het wezenlijkste en diepste in de ander. God tot God.
(Het verstoorde leven, p. 155-156, 17 september 1942)

Er is momenteel weer zoveel narigheid in de wereld, dat het van naïviteit zou getuigen te beweren dat we in het verlengde van ons mens-zijn God vinden. En toch, Etty Hillesum leerde te rusten in zichzelf en ervaarde dat dat ten diepste een rusten in God is, zo sterk dat zij alles aankon.
In verstilling en meditatie kunnen we dat rusten voorzichtig inoefenen, onder ideale omstandigheden. De wederwaardigheden van het leven stellen ons op de proef, nodigen ons uit tot loutering en groei. Ook in onze tijd zijn er uitdagingen te over! Zoveel wat ons wegtrekt uit onszelf, evenveel redenen in te keren.
In de laatste regels van deze passage breekt Etty door alle grenzen heen, ook door het conventionele onderscheid tussen ik en de ander en tussen ik en God. Als de mens God in zichzelf hoort en vindt, hoort en vindt God zichzelf, is het verschil tussen binnen en buiten weggevallen.

14 oktober
Wat is de innerlijke nood van jouw schepselen op deze aarde groot, mijn God. Ik dank je ervoor, dat je zoveel mensen met hun innerlijke noden naar mij toe laat komen. Ze zitten rustig en argeloos met me te praten en opeens breekt het dan naakt naar buiten, hun nood. En opeens zit daar dan een stukje mens dat wanhopig is en niet weet hoe te moeten leven.
En nu beginnen de moeilijkheden pas voor mij. Het is niet voldoende om alleen maar jou te prediken mijn God, om jou uit te dragen tot de anderen, om jou op te graven in de harten van anderen.
Men moet de weg tot jou in de anderen vrij maken, mijn God en daarvoor moet men een groot kenner van het menselijke gemoed zijn. Een geschoold psycholoog moet men zijn. Verhoudingen tot vader en moeder, jeugdherinneringen, dromen, schuldgevoelens, minderwaardigheidsgevoelens, nou ja en de hele santenkraam. In iedereen die tot mij komt, ben ik een behoedzame, zoekende tocht. Het gereedschap om de weg tot jou te banen in de anderen is nog maar zeer gering. Maar er is toch al wat gereedschap en ik zal het verbeteren, langzaam en met geduld. En ik dank je, dat je me de gave gegeven hebt in anderen te kunnen lezen en de weg te vinden in anderen. Mensen zijn soms net voor me als huizen, waarvan de deuren openstaan. Ik loop naar binnen en dwaal door de gangen en kamers en ieder huis is weer een beetje anders ingericht en toch zijn ze allemaal weer hetzelfde en ieder huis zou men moeten maken tot een gewijde woning voor jou, mijn God. (Het verstoorde leven, p. 156, 17 september 1942.)

Deze regels sluiten aan op die van vorige week. Toen sprak Etty vooral over haar relatie tot God. Maar ook haar mensenliefde ontwikkelde zich tot in het oneindige.
Het zoeken en vinden van de weg naar God in de ander is een kunst waarvoor je begaafdheid en gereedschap nodig hebt, die je zelf zult moeten ontwikkelen. De plattegrond wijst zich vanzelf, want mensen zijn als huizen, een gewijde ruimte, waar God woont.

Charles Steur, Maria van Kuijen, Odilia van Doorn

21 oktober: Jesaja 29,18-24 en Marcus 10,32-45
Natuurlijk weten we al langer dat profetie niet zozeer te maken heeft met het voorspellen van de toekomst, als wel het duiden van het heden. Het lonkend perspectief voor het heden kondigt Jesaja aan met ‘Op die dag’(29,18), Als een beslissend keerpunt in de loop van de geschiedenis, een definitieve wending ten goede. Ja, de doven zullen horen wat geschreven staat en de blinden zullen zien met eigen ogen! Het gaat om bevrijding uit verdrukking, het einde aan terreur, bespotting en onrecht. Maar of Jakobus en Johannes die de beste plaatsen wilden hebben, dat ook voor ogen hadden met hun vraag?
28 oktober Allerheiligen/Allerzielen: Jesaja 60,1-11.17-22 en Matteüs 5,1-12
Als een andere Mozes bestijgt Jezus de berg en zet zich neer als een gezagvolle leraar.
Vanaf de berg geeft hij zijn Tora. Iedereen die hem wil volgen, wordt gelukgewenst.
Zolang het Rijk Gods nog niet is gekomen, moeten zij nog afzien, maar Jezus bemoedigt hen.
Vanuit een vliegtuig zie je boven een stad in het donker een patroon van lichtjes, Zo tekenen ‘heilige mensen’ van alle tijden in een donkere wereld een patroon van licht als gemeenschap van heiligen. Onbekend zullen zij worden gekend.
4 november: Job 19,23-27a en Marcus 12,18-27
We lezen de woorden van Job samen met het evangelie over het gesprek van Jezus met de sadduceeën, van wie enkelen zeggen dat er geen opstanding is.
Is het eigenlijk wel een gesprek? Het lijkt eerder op het tegenover elkaar stellen van wat de sadduceeën weten van de woorden die geschreven staan in de wet van Mozes, en wat Jezus, de meester, daarvan weet. Dwalen jullie niet, vraagt Jezus, nadat zij Hem de woorden uit de wet van Mozes over het zwagerhuwelijk hebben voorgelegd en Hem daarover vragen hebben gesteld.
Jullie weten niet wat die woorden betekenen, net zomin als jullie weten van ‘de kracht van God.’ Als je daar niet van weet is praten over de opstanding een vergeefse bezigheid.

11 november: ZondagMorgenAnders rond ‘Het Onze Vader’
Dan gaat Joop Smit spreken over ‘Het Onze Vader’, waar hij onlangs een boekje over heeft geschreven dat nog niet is uitgegeven.
De Bezinningsgroep, die deze ochtend organiseert, is blij dat Joop ons alvast een voorproefje daarvan wil geven. Het zal vast een mooie verdiepende ochtend worden, waarin we stilstaan bij dit oude, ons zo vertrouwde gebed.

Hij zegt er het volgende over:
De woorden staan in je geheugen gegrift. Moeiteloos bid je het onzevader mee. Maar vroeg of laat tasten veranderingen in de vertaling van het onzevader ook de versie aan die je zelf paraat hebt. Dan stokt het bidden en vraag je jezelf verbaasd af: Wat bid ik eigenlijk als ik het onzevader bid? De vertrouwde tekst blijkt bij nader inzien vreemd en onbekend. Dat is even schrikken, maar die schrik is tegelijk de prikkel om naar de betekenis van dit gebed op zoek te aan. De toelichtingen die ik geef zijn het resultaat van de zoektocht die ik heb ondernomen. Wat ik gevonden heb wil ik graag delen met mensen die, net zoals ik, de routine willen doorbreken en zich uitgedaagd voelen door de vraag: Wat bidden we eigenlijk als we het onzevader bidden?

18 november: Exodus 30,11-16 en Marcus 12,38-13,2
Rijken gooien veel geld in de geldkist van de tempel, de weduwe twee waardeloze muntjes. Dit lijkt een heffing volgens vermogen. In Jezus’ beoordeling is het dat echter niet: rijken geven van hun overschot. Bovendien is hun rijkdom wellicht ten koste van de zwakkeren in de samenleving verkregen. De arme weduwe daarentegen geeft van haar armoede, datgene waar zij van leeft. In  termen van een rechtvaardige verdeling volgens inkomen en noden betekent dit dat zij veel te veel bijdraagt en de rijken veel te weinig.

25 november: Sefanja 1,14-2,3 en Marcus 13,14-27
Er bestaat vrij grote overeenstemming over de datering van het Marcusevangelie na het jaar 70, het jaar waarin Jeruzalem en de tempel werden verwoest. In de context van het evangelie was de tempel zelf al een gruwel van verwoesting geworden, omdat het bedehuis ontaard was tot rovershol. Die ontaarding betekende reeds de facto de verwoesting van de eredienst. De daadwerkelijke fysieke verwoesting van de tempel was dan ook slechts een bezegeling daarvan.

Citaten uit ‘de eerste dag’ door Cor Spithoven