Toelichting leesrooster


Hieronder treft u een toelichting aan op het leesrooster zoals dat ook in ‘De Berichten’ is verschenen.

In de Algemene Leden Vergadering is afgesproken dat we voortaan uitgaan van één lezing van het oecumenisch leesrooster. De voorganger en voorbereiders hebben de keus zelf eventueel een bijpassende tweede (bijbel)tekst te kiezen.

6 maart: Aswoensdag: Amos 5,6-15, Psalm 51, Matteüs 6, 1-6.16-21
Met Aswoensdag beginnen we de Veertigdagentijd. Het programma van deze tijd is eenvoudig: ons afkeren van het kwade om ons toe te keren naar de weg die God ons wijst. Het is zoals de tuinman die de grond bewerkt om in de lente te zaaien: hij verbrandt alle onkruid en verstrooit de as als mest. Het askruisje dat we ontvangen is een teken dat we moeten sterven aan onze oude mens opdat het leven naar Gods bedoeling in ons kan ontkiemen.

10 maart: Eerste zondag Veertigdagentijd: Deuteronomium 5,6-21, Psalm 81, Lucas 4,1-13
Wie actief is in een bepaalde sport, zal dat zelden op eigen houtje doen. Een coach kan je trainen, helpen, begeleiden. De Veertigdagentijd biedt ons gelegenheid ons te oefenen
Om de weg te gaan die Jezus ons wees. Je zou kunnen zeggen dat hij onze coach is. Hij laat op deze zondag zien dat je je kunt wapenen tegen alle mogelijke beproevingen en verleidingen. De duivel probeert Jezus in zijn macht te krijgen, maar hij weerstaat hem door zijn tegenstander steeds te wijzen op wat “geschreven” staat: het woord van God.

17 maart: Tweede zondag Veertigdagentijd: Exodus 34,27-35, Psalm 27,7-14, Lucas 9,28-36
Het is altijd bijzonder als je getuige mag zijn van belangwekkende gebeurtenissen in het leven van andere mensen. Zo word je deel van hun geschiedenis. Dit overkomt vandaag de drie leerlingen van Jezus: Petrus, Johannes en Jakobus. Op een berg zien ze hoe hun
Jezus van gedaante verandert. Stralend zien ze hem. Zo zijn mensen die dichtbij God leven. Ze stralen! De tweede grote geloofsgetuigen uit het Oude Testament, Mozes en Elia, delen in dit stralende goddelijke licht.

24 maart: Derde zondag Veertigdagentijd: Exodus 6,2-8, Psalm 103,1-7, Lucas 13,1-9
Misschien gaat het vandaag wel over kosten en baten en hoe die met elkaar in evenwicht
moeten zijn. De gelijkenis van de vijgenboom uit het evangelie vertelt beeldend over het verlangde evenwicht tussen investering en rendement, maar ook over de noodzaak om te kiezen voor een andere benadering. Al drie jaar lang blijft die boom in een wijngaard zonder vruchten. Wordt het geen tijd om hem nu maar te rooien? De wijngaardenier besluit om hem nog een laatste kans te geven. Hij kiest daarmee voor een andere benadering.

31 maart Vierde zondag veertigdagentijd: 2 Kronieken 36,14-23, Psalm 34,1-11, Lucas 15,11-32
Een van de bekendste verhalen uit het Lucasevangelie staat voor vandaag op het rooster: de indrukwekkende gelijkenis van de verloren zoon. De lange dwaaltocht van de zoon leidt uiteindelijk tot een feestelijk slot, zijn thuiskomst bij de vader.
Ook in het uitgebreide verhaal uit Israëls verleden moet veel doorstaan worden voordat uiteindelijk de vreugdevolle keer in de geschiedenis komt. Na zeventig jaar ballingschap in Babylon is er in opdracht van Cyrus de terugkeer en de hertbouw van de tempel.

7 april Vijfde zondag veertigdagentijd: Jesaja 58,7-10, Psalm 126, Lucas 20,9-19
Je kunt bij de gelijkenis van de slechte pachters denken aan het lot van het Joodse volk in de eerste eeuw. Het joodse establishment, met name rond de tempel, verloor zijn positie toen de tempel verwoest werd. Je kunt er niet om heen dat het een strafgericht was. Eerder waren de profeten slecht behandeld. Dan wordt Jezus, de Zoon, buiten de stad geworpen en gekruisigd. Goddank gaat de wijngaard over in andere handen. E komen leiders die de Heer wél erkennen als Heer van de wijngaard. Bovendien verruimt de wijngaard zich: hij omvat voortaan alle volken.

14 april Palmzondag: Lucas 19, (28)29-40, Psalm 118, 1-2,19-29, Filippenzen 2,5-11
Lucas 23,33-43
Wat voor gebeuren is dit nu helemaal: een ongeveer dertigjarige man die door een groep volgelingen op een ezel wordt gezet en zo Jeruzalem binnengaat. Wat nou, intocht? Dat woord wordt gebruikt bij officiële staatsbezoeken door hoge ambtenaren, vorsten en bestuurders in het Romeinse Rijk. Dit gebeuren lijkt daar in de verste niet op.
Waarom beschrijft Lucas dit dan toch als een soort intocht? En waarom schrijft hij dit zo, veertig jaar na dato, na de verwoesting van de tempel?

18 april Witte Donderdag: Exodus 12, 1-8,11-14, 1 Korintiërs 11,23-26, Psalm 81, Johannes 13,1-15
Witte Donderdag is een beetje als de stilte voor de storm. Er hangt spanning in de lucht. Er is vriendschap die verraden wordt en liefde die tot het uiterste gaat.
Zoals Jezus iets controversieels deed in het wassen van de voeten van zijn leerlingen – en sterker nog in zijn dood – zo kunnen (moeten?) wij in navolging van zijn liefde durven opstaan en uit onze comfortzone stappen. Om tegenwicht te bieden tegen onrecht, haat, geweld. Al is het maar door een kleine daad van liefde, iets als een voetwassing.

19 april Goede Vrijdag: Jesaja 52,13 -53,12, Psalm 22, Lucas 22,1-23,56
Dit is de dag van het vonnis over Jezus: de kruisdood. Een dramatisch gebeuren. Pilatus liet het gebeuren, bang voor prestige verlies bij de leiders van het Joodse volk en in Rome. “Jezus uit Nazareth, Koning van de Joden”, werd de “beschuldiging”. Voor de Joodse leiders een ergernis, maar Pilatus kon zijn superieuren in Rome rapporteren dat hij een man had laten kruisigen die zich ‘koning” noemde.

21 april Paaszondag; Lucas 24,1-10 en andere teksten
“Waarom zoekt u de levende onder de doden?”, horen ze vrouwen bij het graf. Niet het graf staat centraal, niet de dood van Jezus krijgt de aandacht, maar het draait allemaal om de Opgestane, om de Levende.
Geen geloof of vreugde nog bij de vrouwen of bij Petrus, alleen maar verwondering. Het duurt even voordat zo’n ongelofelijk bericht kan landen.
Pasen begint in de mist van een vroege, schuchtere morgen. Als het donker nog tussen de huizen hangt, de nevel op het veld ligt, de wereld nat is van de dauw. Begint daar ook niet ons paasgeloof?

28 april Tweede zondag van Pasen: Genesis 28,10-22, Psalm 111, Lucas 24,13-35
De tweede Paaszondag treft ons nog als slaperige gelovigen aan. We hebben iets vernomen, maar het is zo vreemd. Moe geworden van de reis van alledag raken we het zo weer kwijt. Totdat de ogen opengaan, het hart gaat branden, een licht opgaat. Opstaan! Wakker worden, ook deze keer weer. Het hemels ontbijt, het gebroken brood, trekt de gasten-in-eigen-huis een andere wereld in.

5 mei Derde zondag van Pasen: Jeremia 32, 36-41, Psalm 33,1-11, Lucas 24,35-48
Als Jezus te midden van zijn leerlingen staat, blijkt dat ondanks de verhalen van de Emmaüsgangers niet geruststellend te zijn. Zij zijn angstig. Zij vrezen een geest te zien.
Maar hij zegt: “Kijk. Mijn handen, mijn voeten”. En als proef op de som: “Hebben jullie iets te eten voor Mij?” Ze geven Hem een stuk vis. Hij eet het voor hun ogen. Dat is het teken dat Hij het echt is. En Hij verduidelijkt opnieuw wie Hij is: “Alles wat over Mij geschreven staat in de Thora van Mozes en de profeten en de psalmen moest vervuld worden”

12 mei Vierde zondag van Pasen: Numeri 27,12-23, Psalm 100, Johannes 10,22-30
In de Numerilezing vraagt Mozes om een leider voor het volk, zodat zij niet als schapen zonder herder dwalen. De nieuwe leider moet dus een herder zijn. Bij Mozes worden de herder en de schapen, als het volk Israël, aan elkaar verbonden. De wereld buiten het volk is hier niet in beeld. Maar door de manier waarop Jezus de metafoor van de herder en de schapen toepast in Johannes 10, ontstaat er een duidelijk scheiding tussen de schapen die wel naar de stem luisteren en eeuwig leven hebben, en de anderen.

19 mei Vijfde zondag van Pasen: Deuteronomium 6,1-9, Psalm 145,1-12, Johannes 13,31-35
Het “nieuwe gebod” dat Jezus in Johannes 13 aan zijn leerlingen geeft, is niet nieuw. Het liefhebben, de zorg voor de naaste, werd ook al voor Jezus’ tijd, samen met het grote gebod in Deuteronomium 6, door gelovige Joden gezien als een van de grondbeginselen waarop een gelovig leven is gebouwd.
Het gebod is deel van de afscheidsrede waarin Jezus zijn leerlingen voorbereidt op zijn dood. In zijn woorden klinkt een boodschap door aan de eerste lezers van het evangelie van Johannes, mensen voor wie het trauma waarop Jezus zijn leerlingen voorbereidt, inmiddels werkelijkheid is geworden.

Citaten uit ‘de eerste dag’ door Cor Spithoven