Toelichting leesrooster


Hieronder treft u een toelichting aan op het leesrooster zoals dat ook in ‘De Berichten’ is verschenen.

In de Algemene Leden Vergadering is afgesproken dat we voortaan uitgaan van één lezing van het oecumenisch leesrooster. De voorganger en voorbereiders hebben de keus zelf eventueel een bijpassende tweede (bijbel)tekst te kiezen.

21 april Paaszondag; Lucas 24,1-10 en andere teksten
“Waarom zoekt u de levende onder de doden?”, horen ze vrouwen bij het graf. Niet het graf staat centraal, niet de dood van Jezus krijgt de aandacht, maar het draait allemaal om de Opgestane, om de Levende.
Geen geloof of vreugde nog bij de vrouwen of bij Petrus, alleen maar verwondering. Het duurt even voordat zo’n ongelofelijk bericht kan landen.
Pasen begint in de mist van een vroege, schuchtere morgen. Als het donker nog tussen de huizen hangt, de nevel op het veld ligt, de wereld nat is van de dauw. Begint daar ook niet ons paasgeloof?

28 april Tweede zondag van Pasen: Genesis 28,10-22, Psalm 111, Lucas 24,13-35
De tweede Paaszondag treft ons nog als slaperige gelovigen aan. We hebben iets vernomen, maar het is zo vreemd. Moe geworden van de reis van alledag raken we het zo weer kwijt. Totdat de ogen opengaan, het hart gaat branden, een licht opgaat. Opstaan! Wakker worden, ook deze keer weer. Het hemels ontbijt, het gebroken brood, trekt de gasten-in-eigen-huis een andere wereld in.

5 mei Derde zondag van Pasen: Jeremia 32, 36-41, Psalm 33,1-11, Lucas 24,35-48
Als Jezus te midden van zijn leerlingen staat, blijkt dat ondanks de verhalen van de Emmaüsgangers niet geruststellend te zijn. Zij zijn angstig. Zij vrezen een geest te zien.
Maar hij zegt: “Kijk. Mijn handen, mijn voeten”. En als proef op de som: “Hebben jullie iets te eten voor Mij?” Ze geven Hem een stuk vis. Hij eet het voor hun ogen. Dat is het teken dat Hij het echt is. En Hij verduidelijkt opnieuw wie Hij is: “Alles wat over Mij geschreven staat in de Thora van Mozes en de profeten en de psalmen moest vervuld worden”

12 mei Vierde zondag van Pasen: Numeri 27,12-23, Psalm 100, Johannes 10,22-30
In de Numerilezing vraagt Mozes om een leider voor het volk, zodat zij niet als schapen zonder herder dwalen. De nieuwe leider moet dus een herder zijn. Bij Mozes worden de herder en de schapen, als het volk Israël, aan elkaar verbonden. De wereld buiten het volk is hier niet in beeld. Maar door de manier waarop Jezus de metafoor van de herder en de schapen toepast in Johannes 10, ontstaat er een duidelijk scheiding tussen de schapen die wel naar de stem luisteren en eeuwig leven hebben, en de anderen.

19 mei Vijfde zondag van Pasen: Deuteronomium 6,1-9, Psalm 145,1-12, Johannes 13,31-35
Het “nieuwe gebod” dat Jezus in Johannes 13 aan zijn leerlingen geeft, is niet nieuw. Het liefhebben, de zorg voor de naaste, werd ook al voor Jezus’ tijd, samen met het grote gebod in Deuteronomium 6, door gelovige Joden gezien als een van de grondbeginselen waarop een gelovig leven is gebouwd.
Het gebod is deel van de afscheidsrede waarin Jezus zijn leerlingen voorbereidt op zijn dood. In zijn woorden klinkt een boodschap door aan de eerste lezers van het evangelie van Johannes, mensen voor wie het trauma waarop Jezus zijn leerlingen voorbereidt, inmiddels werkelijkheid is geworden.

26 mei Zesde zondag van Pasen: Joël 2,21-27, Psalm 67, Johannes 14,23-29
We treffen Jezus en zijn leerlingen aan de maaltijd, het laatste avondmaal dat ze zullen delen voor zijn dood. In het Johannesevangelie is het een gebeurtenis waar ruim de tijd voor genomen wordt. Jezus bidt en bemoedigt, vat zijn boodschap samen en bereidt zijn vrienden voor op wat komen gat. Er is ruimte voor vraag en antwoord, voor geduldige herhaling en liefdevolle woorden die troostvol richting geven naar de toekomst.

30 mei Hemelvaartsdag: 2 Koningen 2,1-15, Psalm 47, Lucas 24,49-53
Het blijft onvoorstelbaar dat Jezus’ vrienden vreugde voelen als Hij naar de hemel is opgestegen terwijl zij kort daarvoor zo blij waren toen Hij uit de dood bleek te zijn terug gekeerd. Hoe kan een mens met vreugde loslaten wie hem of haar dierbaar is? Dat kan alleen als je die ander ziet als een mens met een eigen roeping en je hem of haar daaraan kunt toevertrouwen. Dan huil je weliswaar bij het afscheid maar tegelijkertijd prijs je God want je ziel smaakt geestelijke vreugde.

2 juni Zevende zondag van Pasen: 1 Samuël 12,19b-24, Psalm 31,1-9, Johannes 14, 15-21
De zevende van Pasen. De zondag overal tussenin, het weeskind. Het kind zoekt, kan vele kanten opkijken. Wie bevestigt zijn bestaan? En zo kijkt het naar de volken rondom: een koning, zou dat wat zijn, zo’n echte leider? Naar het verleden: toen was het nog goed. Naar de toekomst, als alles beter is. Maar je woont in de parakleet, lezen we, de pleitbezorger, de stem van heil en heelheid. Dit weeskind heeft alle recht op bestaan, hoeft niet om zich heen te zoeken. Je kent, weet, ziet me al: het is al begonnen, zie je het niet?

 9 juni: Pinksteren: Handelingen 2,1-11, Psalm 104,25-35, Johannes 20,19-23
In plaats van het accent op de “verjaardag” van de kerk is het goed aandacht te geven aan “de dag van de Vijftigste”(Hand.2,1). Dit getal heeft een messiaans karakter: het is Pasen in het kwadraat of in het goud. Vandaag vallen in het evangelie Pasen en Pinkstern op één dag. (Joh.20,22) We weten ons met het Pinksterfeest verbonden met het Joodse volk, dat deze dagen Sjavoeot (שבועות) viert. Pasen wordt vervuld en wij vieren de oogst.

23 juni – Hadewijch, Gedicht 12
Nu is het nieuwe jaargetijde begonnen
dat ons bloemen brengt in het land.
Zo zijn de verheven harten die zijn uitverkoren
om het juk te dragen van de minneband.
Daar bloeit voortdurend de trouw
als prachtige bloemen met hun vruchten.
Daar wordt trouw het woord doorzocht
en daar woont minne standvastig.
Met verbindende vriendschap helemaal doorweven
tot in de hoogste graad
van de minneraad.

“Mijn juk is zacht en mijn last is licht”,
zegt zelf die de minnaar is van minne.
Dit woord heeft hij in minne gedicht.
Daarbuiten is het niet waarachtig te kennen volgens mij.
Een lichte last weegt zwaar
voor wie aan vreemde angsten lijden
en buiten minne wonen.
Want angst is de wet van knechten
en minne is de wet van zonen.

Wat is die last zo licht in minne
en het juk dat zo zoet smaakt?
Dat is het verheven innerlijk dragen
waarmee minne de beminde raakt
en met verbindend verlangen verbinding maakt.
In eenheid, onomkeerbaar.
De diepte van begeerte schept steeds meer
en wat zij opdiet drinkt minne weer.
Het tekort dat minne in minne oproept,
gaat alle menselijke voorstelling te boven.

In haar beleving van de minne werd Hadewijch beïnvloed door de hoofse dichters. Zij past dat genre toe op de liefde tot God. De minne is voor haar zowel Gods liefde en de ervaring daarvan, als het liefdesverlangen van de ziel. De minne bracht haar vreugde in God, maar was ook haar grote verdriet, vanwege de ervaring van scheiding en afstand.

30 juni – Hadewijch, uit brief 18
Ach, mijn zoete, lieve kind, wees verstandig in God. Want verstandigheid is hard nodig voor u en voor elk mens dat goddelijk wil worden, want verstandigheid leidt diep in God. Maar tegenwoordig wil niemand erkennen hoe gebrekkig zij haar verplichting te dienen en te minnen nakomt.
Ach, je hebt veel te doen om God en mens te leven en zo volwassen te worden als het je waardigheid betaamt, waarin je door God bemind bent en waartoe je door God bestemd bent. Wees in al het jouwe dapper en soeverein en leef overeenkomstig uw vrije adellijkheid. (…)
Bewaar zorgvuldig de edele volmaaktheid van uw waardige, volmaakte ziel en sla acht op hetgeen waarop zij zint. (…) Begrijp de innigheid van uw ziel, wat dat is: ziel. De ziel is een wezen dat God ziet en door God gezien wordt. De ziel is ook een wezen dat aan Gods eisen wil voldoen en op gerechte wijze haar wezen hoog houdt, om niet te vallen in iets dat minder is dan de waardigheid van de ziel. Omdat zij zo is, is de ziel een grondeloosheid waar God zelf genoegen in vindt. Hij vindt zijn genoegen ten volle in haar en zij op haar beurt altijd in Hem. De ziel is een weg voor de doorvaart van God naar de vrijheid van zijn diepste diep. En God is een doorvaart voor de ziel naar haar vrijheid, dat is naar zijn grond die niet geraakt kan worden dan door haar diepte. Als God niet helemaal van haar zou zijn, zou het haar niet genoeg zijn. (…)
Maar als deze hoge ziel terugkeert naar de mensen en naar de menselijke dingen, dan brengt zij een gelaat dat zo blij is en zo wonderlijk zoet door de olie van de naastenliefde dat zij in al wat zij wil met goedertierenheid bij de mensen woont.

In haar brieven geeft Hadewijch ‘geestelijke begeleiding’ aan enkele jonge Begijnen, met wie zij in het verleden heeft samengewoond. Zij legt voor hen de lat even hoog als voor zichzelf. Haar beschrijvingen van het innerlijk van de mens, van God, en van hun intieme omgang zijn zeer oorspronkelijk en bevlogen.

 7 juli – Hadewijch, uit het tweede en derde visioen
Het was op een Pinksterdag dat ik de Heilige Geest ontving en wel zo dat ik inzicht kreeg in de gehele wil van de minne in alles. En van elke wil die ik zo zag begreep ik in hoeverre hij waarheid of leugen was. Sedertdien voelde ik altijd op die manier al de minnenden die ik zag, zo talrijk als ze waren. Van de menigvuldigheid van al deze wijzen ben ik nu ontdaan, zij is in mij verstild. Maar Hem uitsluitend aan te zien en het in brand staan door de minne en de waarheid van zijn wil – dat alles werd sedertdien in mij niet gedoofd, het kwam niet tot zwijgen en bedaren.
Tevoren, vóór die tijd, wilde ik in alle daden van minne weten en steeds vroeg ik me af ik: ‘Wat is minne en wie is minne?’ Daar was ik twee jaar mee bezig geweest. Later, op een Paasdag, was ik tot God genaderd. En God ontving mij van binnen, in mijn vermogens en nam me op in de geest. Hij voerde mij tot voor het aanschijn van de Heilige Geest. En uit dat aanschijn klonk een stem, zo vreselijk dat ze boven alles uit gehoord werd. Zij sprak tot mij: ‘Zie hier, oude, die mij geroepen en gezocht hebt, wie de minne is die Ik ben, duizend jaar vóór de mens geboren wordt. Zie en ontvang mijn Geest. En zie dan in alle dingen hoe ik er minne in ben. En als gij u volledig aan Mij geeft door al de wegen van de volkomen minne te gaan, dan zult ge Mij bezitten en genieten, ervarend wie ik ben die de minne ben. Tot die dag zult gij voor lief nemen de wijze waarop Ik minne ben. Gij zult minne zijn zoals Ik minne ben. Gij zult, niet minder dan Ik, een leven leiden dat minne is. Ik heb Mij met u verenigd en zo hebt gij Mij ontvangen en Ik u. Ga en leef gelijk Ik ben en kom terug en breng Mij de gehele godheid en ervaar dan wie Ik ben.’ Toen kwam ik weer tot mezelf en verstond alles wat ik hierboven schreef, en ik bleef de zoete Geliefde van mijn hart aankijken.

‘Tot God genaderd zijn’ is een middeleeuwse uitdrukking voor: ter communie gaan. In deze twee korte en eenvoudige visioenen krijgt Hadewijch van God zelf antwoord op haar rusteloze vragen. Zij verneemt dat Hij zelf de minne is en zij krijgt de opdracht evenzo te zijn.

14 juli: Deuteronomium 30,9-14, Psalm 25,1-10, Lucas 10,(21)25-37
Wie in ons land met de gezondheidszorg te maken krijgt, kan soms treurig worden van de bureaucratie en regelgeving. Het lijkt alsof schema’s en protocollen belangrijker zijn dan het omzien naar een zieke mens. In de parabel die Jezus in het evangelie vertelt, lijkt iets soortgelijks het geval. De priester en de leviet zijn bevangen door het systeem waarin ze zitten: regels en voorschriften omtrent onreinheid. Ze laten zich niet raken door de gewonde man langs de kant van de weg. Dat gebeurt wel bij de Samaritaan. Het hele verhaal dient om duidelijk te maken wie onze naaste is: degene aan wie je barmhartigheid bewijst, degene die zich over je ontfermt.

21 juli: 1 Samuël 1,1-20, Psalm 15, Lucas 10,38-42
De beide verhalen van vandaag presenteren elk twee vrouwen bij wie de harmonie ver te zoeken is. De beide echtgenotes van die ene man staan niet op het zelfde niveau: de kinderloze Hanna wordt getreiterd door de ander die zich op haar status kan beroemen(1Samuël). In het evangelie staan twee zussen tegenover elkaar, in onbegrip over wat er nu eigenlijk van hen verwacht wordt. Wat verbindt de verhalen met elkaar? Het gaat om wat de nabijheid van God teweegbrengt. Door Gods aanwezigheid is er een adres voor Hanna in haar leed – en uiteindelijk een nieuw begin. En door de goddelijke aanwezigheid in Jezus krijgt “het bevrijdende woord van het Koninkrijk Gods” de prioriteit boven alle noodzakelijke beslommeringen.

Citaten uit ‘de eerste dag’ door Cor Spithoven