Toelichting leesrooster


Hieronder treft u een toelichting aan op het leesrooster zoals dat ook in ‘De Berichten’ is verschenen.

In de Algemene Leden Vergadering is afgesproken dat we voortaan uitgaan van één lezing van het oecumenisch leesrooster. De voorganger en voorbereiders hebben de keus zelf eventueel een bijpassende tweede (bijbel)tekst te kiezen.

De vieringen t/m 29 maart zijn in ieder geval komen te vervallen. De verwachting is dat veel van de daarna volgende vieringen ook niet zullen plaatsvinden. Kijk op de home page van onze site voor de laatste stand. Onderstaand in ieder geval de teksten zoals voorbereid.
15 maart: Derde zondag van de veertigdagentijd
Exodus 17,1-7, Psalm 95, Johannes 4,1-42
In het gesprek dat zich ontspint tussen de Samaritaanse vrouw en Jezus zit een prachtige ontwikkeling. Na het ongemakkelijke begin wordt het heel persoonlijk, als Jezus meer van de vrouw blijkt te weten dan zij dacht. Jezus leidt het gesprek van het verleden naar de toekomst, waarin de verschillende tradities overstegen worden en het gezamenlijke centraal staat: het aanbidden van de Vader. Dan openbaart Hij zich aan de vrouw als de Messias, die ook in de Samaritaanse traditie verwacht wordt.
22 maart: Vierde zondag in de veertigdagentijd
1 Samuel 16,1-13, Psalm 23, Johannes 9,1-13(14-25)26-39
Johannes laat zich als verteller van zijn beste kant zien. Hij neemt de lezer(hoorder) mee in een proces met de kernbegrippen “zien” en “blind”. Dit soort teksten zijn mystagogisch, ze leiden stap voor stap in in Jezus’ ídentiteit en zijn daarom lang en voor (post)moderne oren misschien wat langdradig. Precies dat langzame tempo echter biedt ook een kans voor onthaasting en een ontmoeting met Jezus.

29 maart: Vijfde zondag van de veertigdagentijd

Ezechiël 37,1-14, Psalm 130, Johannes 11,1-4(5-16)17-44

Kun je doder zijn dat het volk Israël bij Ezechiël? Kun je doder zijn dan Lazarus? Kunnen deze beenderen herleven? Ezechiël houdt zich wat op de vlakte: “Gij weet het”. Hij wil er zich niet aan branden. Of wil hij zeggen dat het in de macht en de hand van God ligt? Maar daar moet je dan wel in geloven. “Geloof je dat?”, vraagt Jezus aan Martha. Je moet vertrouwen hebben (geloven) in de Geest. Als je het niet ziet zitten, blijf je zo dood als een pier, stinkend achter een steen.

5 april: Palmzondag

Matteüs 21,1-11, Psalm 118,1-2,19-29,Jesaja 50,4-7, Psalm 73,13-20, Filippenzen 2,5-1

Wat te denken van die instemmende reacties van de menigte langs de kant van de weg bij het beeld van een koning die op juist deze wijze, gezeten op een ezel, de Stad van David binnenkomt? De menigte denkt mogelijk aan David, maar dan zeker ook in termen van succes en een glorieuze overwinning. Daar staren zij zich blind op. Jezus ging echter duidelijk een andere weg, de weg van de deemoed, de weg van de zichzelf wegcijferende liefde die één op één samenvalt met de weg van Gods barmhartigheid.

Cor Spithoven (Citaten uit “De Eerste Dag”

9-12 april: Ons paasritueel 2020

Op Witte Donderdag gedenken wij de avond, waarop Jezus net zijn paasmaal heeft gevierd. Geen wonder dat de liturgische lezingen verwijzen naar Exodus 12, (1)15-20: het feest van de ongedesemde broden met alle rituelen die daarbij horen.

Matteüs vertelt hoe Jezus na het zingen van de lofzang aan God om de bevrijding van Pasen (de Hallel: psalm 114 t/m 118) zijn leerlingen voorspelt hoe ze allemaal ten val komen. Nog vóór de haan zou kraaien zal hij worden verloochend en ze zullen nog geen uur met hem kunnen waken….

In het boek De Trooster (Esther Gerritsen) zegt de hoofdpersoon: “Als ze me de hele katholieke kalender zouden ontnemen maar ik zou één dag mogen behouden, dan zou ik Witte Donderdag kiezen. Het is misschien wel de droevigste dag van het jaar in onze kerk, maar dichter bij het leven van Jezus kun je niet komen. Misschien omdat het een van die weinige momenten is in het evangelie waarop Jezus alleen is, echt alleen, en wij hem alsnog, eeuwen later gezelschap willen houden in die laatste nacht”…

Voor ons is dit traditioneel het begin van ons paasritueel, waarna op Goede Vrijdag (hoezo “goed” ?) de passie zal klinken, lijden herdacht. Dat betreft Jezus, maar ook lijden van wie niet ook? Al dat lijden heel de geschiedenis door, overal ter wereld? Om stil van te vallen… (Het bloedritueel uit Exodus 12,21-28; de klacht van Psalm 22…).

De Stille Zaterdag vieren wij niet meer gezamenlijk en een nachtelijke wake houden we niet meer samen. Het is niet eenvoudig om – op jezelf aangewezen – binnen onze lawaaierige maatschappelijke context stilte te organiseren. Misschien toch met psalm 30?

Te lezen als opmaat voor een vreugdevolle intocht met de nieuwe Paaskaars op Paaszondag?

Hopelijk vieren wij dan opnieuw ook onze opstanding, verrijzenis, hoop en kracht. Overwinning op alle duisternis.

Henk Kroon

Cyclus Dietrich Bonhoeffer

Bonhoeffer (1906-1945) groeide op in een intellectueel en artistiek milieu. Hij koos voor een studie theologie en was een briljant student. Hij promoveerde al op zijn 21e en vanaf zijn 24e was hij docent en pastor. Zodra de nationaal-socialisten in 1933 aan de macht waren gekomen, verzette hij zich daartegen en tegen de ‘Duitse Christenen’ die erin meegingen. Hij stelde dat wanneer de joden aan hun lot worden overgelaten en de kerk zwijgt, die kerk haar geloofwaardigheid heeft verloren. Zelfs de Bekennende Kirche van zijn leermeester Karl Barth ging hem niet ver genoeg. Hij verbleef enkele jaren in London en zette zich in voor de oecumenische beweging. In Gandhi zag hij een voorbeeld voor geweldloos verzet. Weer terug in Duitsland kreeg hij de leiding van het eigen opleidingsinstituut voor predikanten van de Bekennende Kirche. Daar schreef hij onder andere zijn Navolging, een radicale interpretatie van het christendom, die heden ten dage wel erg vroom en wat fundamentalistisch aandoet. In 1938 kwam hij tot de conclusie dat geweldloos verzet zinloos was en sloot zich aan bij een groep die een aanslag op Hitler beraamde. In het voorjaar van 1943 werd hij gevangen genomen en op 9 april 1945 geëxecuteerd. In de gevangenis overdacht hij opnieuw zijn geloof, in de context van een mondige wereld die door oorlog werd verscheurd. Op de plaats van de almachtige God stelde hij de lijdende en afwezige God. Jezus kreeg daardoor de centrale plaats. In zijn solidariteit met alle mensen en in zijn eigen lijden, wijst hij ons de weg.

Vooral in de Engelstalige landen vonden zijn gedachten veel weerklank. Zo werd hij een van de grondleggers van de naoorlogse theologie.

De teksten voor de komende vier zondagen zijn allen genomen uit Verzet en overgave, de bundeling van zijn brieven uit de gevangenis. Wij combineren ze met Bijbelse teksten. Zo komt, in dit ‘Bonhoeffer-jaar’, het christelijke gedenken van lijden, sterven en opstanding samen met het herdenken van 75 jaar bevrijding.

19 april: 1) 1 Cor. 15,20-26. 2) Uit een brief van Dietrich Bonhoeffer uit de gevangenis, 27 maart 1944.

De laatste dagen blader ik telkens weer in het Liedboek. Het dringt tot me door dat ik mijn muzikale paasvreugde hoofdzakelijk dank aan jou. Een jaar lang heb ik geen lied meer horen zingen. Maar, heel vreemd, muziek die je innerlijk hoort, kan, als je je concentreert en overgeeft, haast mooier zijn dan muziek die je werkelijk hoort. Ze is zuiverder, de sintels zijn eruit, ze krijgt in zekere zin een ‘nieuw lichaam’! Er zijn maar enkele stukken die ik zo goed ken dat ik ze innerlijk kan horen, maar juist met de paasliederen gaat het erg goed.

Pasen? Wij hebben meer aandacht voor het sterven dan voor de dood. Onze houding tegenover het sterven vinden wij belangrijker dan de vraag hoe wij de dood overwinnen. Socrates overwon het sterven. Christus overwon de dood als de laatste vijand. Wie klaar komt met het sterven is nog niet klaar met de dood. Het sterven overwinnen ligt binnen de menselijke mogelijkheden, de dood overwinnen betekent opstanding. Niet de kunst om te sterven maar Christus’ opstanding kan een nieuwe zuiverende wind doen waaien in de tegenwoordige wereld.

Wat is de relevantie van de Bijbelteksten over de opstanding van Jezus voor ons?

Maatschappelijk is de dood een actueel thema. Nadat hij eerst was weggestopt in ziekenhuizen en verpleeghuizen, staat hij nu in het centrum van het euthanasie- en voltooid-leven-debat. Als we dan toch dood moeten, dan graag op een waardige manier, want in de liberale mensvisie blijft er niets meer over als we onze autonomie verliezen…

Anderzijds is de wetenschap serieus bezig met het verwerkelijken van onsterfelijkheid. Maar dat wordt iets voor de happy few. – Voor wie ze nog niet ontdekt heeft: lees de boeken van Yuval Noah Harari!

Wat het leven na de dood betreft beschikken we in onze tijd over een ruime keuze. We kunnen minstens kiezen uit drie: ofwel de materialistische zienswijze, waarin alles ophoudt bij de dood; het christelijke geloof in een lichamelijke opstanding en een eeuwig leven ‘voor het aanschijn van God’; de oosterse voorstelling van reïncarnatie.

26 april: 1) Mt. 8,16-22. 2) Uit een brief van Dietrich Bonhoeffer uit de gevangenis, 16 juli 1944.

We kunnen niet trouw zijn als we niet erkennen dat we in de wereld moeten leven ‘als ware er geen God’. En dat erkennen wij voor God! God zelf dwingt ons dit te erkennen. Zo brengt onze mondigheid ons tot de waarachtige kennis van onze situatie tegenover God. God doet ons weten wat wij moeten leven als diegenen die hun leven inrichten zonder God. De God die met ons is, die ons verlaat. (Verwijzing naar Marcus 15 vers 34: “Mijn God, mijn God, waarom hebt Gij mij verlaten?”) De God die ons in de wereld doet leven zonder de werkhypothese God, is de God voor wiens aanschijn wij staan. Voor en met God leven wij zonder God. God laat zich uit de wereld terugdringen tot op het kruis, God is zwak en machteloos in de wereld en juist zo en alleen zo is Hij met ons en helpt Hij ons. In Matteüs 8 vers 17 (het citaat uit Jesaja over de lijdende dienaar) staat overduidelijk dat Christus ons niet helpt krachtens zijn almacht, maar krachtens zijn zwakheid, zijn lijden!

Hier ligt het wezenlijke verschil met alle religies. Het religieuze in de mens verwijst hem in zijn nood naar Gods macht in de wereld, God is de deus ex machina. De Bijbel verwijst de mens naar Gods onmacht en lijden; alleen de lijdende God kan helpen. In zoverre kan men zeggen dat de ontwikkeling tot mondigheid, die afrekent met een verkeerde voorstelling van God, de blik vrijmaakt voor de God van de Bijbel, die door zijn machteloosheid in de wereld macht en ruimte krijgt. Dit zal het uitgangspunt moeten zijn van een ‘wereldse interpretatie’.

Vroeger was God een evidentie. Nu is hij onbekend, irrelevant of ontkend. De christen moet het doen met een afwezige, machteloze en lijdende God. Maar juist als zodanig is hij heel nabij, is hij ons tot steun in onze zwakheid.

3 mei: 1) Psalm 23 of Jh. 10,14-18a. 2) Een gedicht van Dietrich Bonhoeffer uit de gevangenis, 16 juli 1944.

Wie ben ik?

Ze zeggen me vaak:

je treedt uit je cel

rustig blij en zeker

als een burchtheer uit zijn slot.

Wie ben ik?

Ze zeggen me vaak:

je spreekt met de bewakers

vrij rechtuit en vriendelijk

als was je hun heer.

Wie ben ik?

Ze zeggen me ook:

je draagt je zwarte dagen

evenwichtig en waardig

als iemand die gewend is te overwinnen.

 

Ben ik werkelijk wat anderen van mij zeggen?

Of ben ik alleen wat ik weet van mijzelf:

onrustig vol heimwee

ziek als een gekooide vogel

snakkend naar lucht als werd ik geworgd

hongerend naar kleuren naar bloemen en vogels

dorstend naar een woord naar een mens dichtbij

trillend van woede om willekeur om de geringste krenking (…)

Murw en bereid om van alles afscheid te nemen? (…)

Wie ben ik? Ik ben de speelbal van mijn eenzaam vragen.

Wie ik ook ben, Gij kent mij

ik ben van U mijn God.

 

Bonhoeffer was een evenwichtig, hoogstaand mens. Dat heeft hem zeker geholpen om twee jaar in de gevangenis te doorstaan zonder mentaal te breken. Maar in zijn zwakheid wist hij van een goede herder.

10 mei: 1) Mt. 28,1-10. 2) Uit Brieven van Dietrich Bonhoeffer, 18 juli en 3 augustus 1944.

De mens wordt opgeroepen Gods lijden aan de goddeloze wereld mee te lijden. Hij moet dus werkelijk in de goddeloze wereld leven en niet proberen haar goddeloosheid religieus weg te praten of te verklaren. Hij moet ‘werelds’ leven, zo juist deelt hij in Gods lijden; hij mag ‘werelds’ leven, met ander woorden, hij is bevrijd van de verkeerde religieuze bindingen en remmingen. Christen zijn betekent niet op een bepaalde manier religieus zijn, op grond van een of andere methodiek iets van zichzelf maken (een zondaar, een boeteling of een heilige), het betekent mens zijn. Christus schept in ons de mens, niet een bepaald mensentype. Je wordt geen christen door religieus te handelen, maar door, levend in de wereld, te delen in Gods lijden. (…) Jezus roept niet op tot een nieuwe religie maar tot het leven, (…) een leven van deelname aan Gods machteloosheid in de wereld? (…)

Wie is God? In de eerste plaats geen algemeen geloof in Gods almacht enzovoort. Dat is geen echte godservaring maar een verlengstuk van de wereld. Ontmoeting met Jezus Christus. Ervaren dat hier heel het menselijk bestaan wordt omgekeerd, want Jezus bestaat alleen ‘voor de ander’. Dit ‘zijn voor de ander’ is de beleving van de transcendentie. Almacht, Alwetendheid, Alomtegenwoordigheid ontstaan uit het vrij zijn van zichzelf, uit ‘het zijn voor de ander’ tot de dood. Geloven is deelnemen aan dit bestaan van Jezus, in menswording, kruis en opstanding. Onze verhouding tot God is geen ‘religieuze’ verhouding tot het hoogst denkbare, machtigste, verhevenste wezen – dat is geen echte transcendentie. Onze verhouding tot God is een nieuw leven, gericht op de ander, deelnemend aan het bestaan van Jezus. Geen oneindige, onvervulbare opdracht, iedere naaste vlak bij mij is het transcendente. God in mensengestalte, (…) God als de mens voor anderen.

In het Evangelie van Matteüs zegt Jezus na zijn opstanding tegen zijn leerlingen naar Galilea te gaan. Dat is hun thuisland, waar zij naar alle waarschijnlijkheid een gezin hadden en hun dagelijkse bezigheden. In zijn gevangenis ging Bonhoeffer op zoek naar een niet-religieuze interpretatie van het christendom. In zijn brieven geeft hij enkele korte schetsen. Hij verwerpt het verheven spreken over God en een ‘religieuze levenswijze’. Hij wijst naar het gewone leven als de plaats om Jezus na te volgen. In solidariteit met medemensen in hun lijden, delen wij in het lijden van God, want God deelt in het lijden van de mensen.

Bonhoeffer (middenonder) als moderne heilige in de Sint-Annakerk in Heerlen

De teksten zijn Verzet en overgave (1968); 19 april: p. 98-99; 26 april: pp. 137-8; 3 mei: pp. 138-9; 10 mei: pp. 139 en 148.

Charles Steur

 

17 mei: Zesde zondag van Pasen

Jesaja 41,17-20, Psalm34,12-23, Johannes 16,16-24

Om het werkelijke zien van de leerlingen mogelijk te maken, is het nodig dat Jezus “heengaat naar de Vader”. Voor de leerlingen is dat een raadselachtige uitspraak van Jezus. Voor hen kan het aanstaande afscheid niets anders betekenen dan het failliet van de hele tocht die ze met hem zijn gegaan. Dood is immers dood, nietwaar? Maar juist in dit “heengaan naar de Vader” ligt een sleutel om het Johannesevangelie te begrijpen. De kruisiging betekent Jezus’ verheffing, en zijn dood het ingaan in Gods heerlijkheid.

21 mei: Hemelvaart

Daniël 7,9-10.13-14, Psalm 47, Lucas 24,49-53

Lucas vertelt bijna en passant over Jezus’ hemelvaart. Ook de leerlingen lijken niet erg onder de indruk, want ze keren met grote blijdschap naar Jeruzalem terug en blijven voortdurend in de tempel God loven. Met de verhalen over het lege graf en de aanwezigheid van de verrezen Heer te midden van zijn leerlingen, lijken afscheid en hemelvaart te functioneren als kleine details en bijna vanzelfsprekende onderdelen van de happy ending van het evangelie, na het passieverhaal met het tragische lijden en sterven van Jezus.

24 mei: Zevende zondag van Pasen

Ezechiël 39,21-29, Psalm 126, Johannes 17,1-13

Het is alsof Jezus, in gebedsvorm, in een rechtstreekse communicatie met de Vader een soort overzicht van zijn leven, van zijn levenstaak, onder woorden brengt. Hij geeft aan wat zijn werk is geweest: de naam van zijn Vader bekend maken en de woorden van zijn Vader die hijzelf ontvangen heeft, doorgeven aan hen, “de mensen die U mij uit de wereld gegeven hebt”. Dat heeft hij gedaan. Missie voltooid. En hij bidt voor hen. Dat ze behouden mogen blijven in deze wereld.

Cor Spithoven (Citaten uit “De Eerste Dag”