Toelichting leesrooster


Hieronder treft u een toelichting aan op het leesrooster zoals dat ook in ‘De Berichten’ is verschenen.

In de Algemene Leden Vergadering is afgesproken dat we voortaan uitgaan van één lezing van het oecumenisch leesrooster. De voorganger en voorbereiders hebben de keus zelf eventueel een bijpassende tweede (bijbel)tekst te kiezen.

4 april: Eerste Paasdag
Lezingen: Jesaja 25,6-9, psalm 118,15-24, Colossenzen 3,1-4, Johannes 20,1-18
Na de kruisdood staan de volgelingen van Jezus voor de moeilijke opdracht om naar anderen toe te verwoorden hoe dit toch niet het einde is, omdat God sterker is dan de dood. Het christelijke getuigenis van de verrijzenis bouwt verder op de joodse ervaring dat God een toekomst schept voor zijn volk, ondanks oorlog, verwoesting, ballingschap en (martel)dood. Als de bovenlaag van de bevolking in ballingschap is gevoerd naar Babylon, ziet de toekomst er wel erg somber uit. Toch klinkt ook dan een hoopvolle profetische boodschap. God, die trouw was in het verleden, zal dat ook nu en in de toekomst blijven. Dat vieren we met Pasen.

11 april: Tweede zondag van Pasen
Lezingen: Jesaja 26,1-13, Psalm 111, 1 Johannes 5,1-6, Johannes 20, (19)24-31
De vijf wonden van Jezus’ kruisiging op het kruis , vier nagels door polsen en voeten, een lans door zijn zijde, geven Thomas de ruimte waardoor hij tot zijn belijdenis kan komen. Het zijn de zichtbare tekenen van Jezus’ verwondingen, gesymboliseerd met de vijf wierookkorrels in de paaskaars. Ze doen Thomas beseffen dat de Gekruisigde dezelfde is als de Verrezene. Daar had Thomas tijd voor nodig, mom dat te beseffen – acht dagen lang. Een nieuwe scheppingstijd. Hij was nog van de oude schepping van het niet weten, van de gesloten deuren en de gesloten harten.

18 april ; Derde zondag van Pasen
Lezingen: Micha 1,4-5, Psalm 98, 1 Johannes 1, 1-7, Johannes 21, 15-24
Ondanks al onze goede bedoelingen weten we het allemaal: niemand is onfeilbaar. Hoe herkenbaar is het evangelie van deze zondag, dat Petrus tekent als een mens die Jezus van harte liefheeft, maar die ook weet hoezeer hij tegenover Hem tekortgeschoten is. En wat een wonder: op geen enkele wijze verwijt Jezus hem iets. Jezus nodigt hem uit, geeft hem verantwoordelijkheid: “Hoed en weid mijn schapen”. Het is genade ten voeten uit.

25 april: Vierde zondag van Pasen
Lezingen: Ezechiël 34, 1-10, Psalm 65, 1 Johannes 3, 1-8, Johannes 10,11-16
Hoe vaak kom je het woord pastor(aal) niet tegen in kerkelijke beleidsstukken: pastorale vernieuwing, missionair pastoraat, pastorale presentie, pastorant? Duidt zo’n veelvuldig gebruik niet op een zekere inflatie? Het zijn indringende vragen die de schriftlezingen ons vandaag stellen: wat zijn wij eigenlijk voor elkaar? Een herder of een huurling? Hebben wij hart voor de mensen die aan ons zijn toevertrouwd? Ezechiël klaagt de herders van Israël aan omdat ze het volk in de steek laten. Hij spreekt over zwakke, zieke, gewonde, verjaagde , verdwaalde dieren die hard en wreed worden behandeld. Wie in onze tijd het nieuws volgt, ziet de beelden voor zich! Jezus is de goede herder die zijn leven heeft gegeven voor zijn schapen.

2 mei: Vijfde zondag van Pasen
Lezingen: Deuteronomium 4,32-40,Psalm 119,17-24, 1 Johannes 3,18-24, Johannes 15,1-8
In het evangelie van vandaag zegt Jezus tot zijn leerlingen: ”Blijf in Mij, dan blijf ik in jullie”, Hij vertelt het geheim van de ware vruchtbaarheid. Zoals een wijnstok geen vrucht kan dragen zonder de wijnstok, zo kunnen wij slechts vruchtbaar zijn, als wij met Hem verbonden blijven. Rijke vrucht zullen wij dragen. Jezus vergelijkt zichzelf met een wijnstok die ranken draagt, die op hun beurt weer vrucht dragen. Wij worden gedragen en wij mogen zelf dragen. Dat wij gedragen worden, betekent dat wij onze zekerheid niet in onszelf hoeven te zoeken.

9 mei: Zesde zondag van Pasen
Lezingen: Jesaja 45,15-19, Psalm 33, 12-22,1 Johannes 4,17-21, Johannes 15,9-17
De zesde zondag van Pasen, de laatste voor Hemelvaartsdag, wordt ook wel “Rogate, bidt” genoemd. Willem Barnard schreef ooit: “Na Pasen gaat het van jubelen, Jubilate, via zingen, Cantate, naar bidden, Rogate. Zo is het , en niet andersom: van expressie naar impressie, van de uitbundige jubel om zijn daden naar het ingekeerde gebed om Gods nabijheid… juist wanneer afscheid nadert. Inderdaad: de setting van de evangelielezing van deze zondag is die van het afscheid nemen.
De tekst maakt onderdeel uit van een gedeelte van het Johannesevangelie dat zich nog vóór Pasen afspeelt: Jezus’ lange afscheidsrede tot de leerlingen die Hij tot hen spreekt tijdens hun laatste maaltijd.

13 mei: Hemelvaart
Lezingen: Ezechiël 1,3-5a.26-28a, Psalm 47, Handelingen 1,1-11, Marcus 16,19-20
De vraag van de leerlingen is dramatisch genoeg om ernstig genomen te worden: “Heer, herstelt Gij in deze tijd het koningschap voor Israël?”(Handelingen 1,6). De commentatoren schrijven elkaar allemaal na: “Een domme vraag naar een aards koningschap, ze verstaan niet dat het hier om heel andere dingen gaat”. De vraag van de leerlingen is echter geoorloofd en ze krijgen wel degelijk antwoord. Ze krijgen van de Heer te horen dat het hun (en Hem) niet toekomt dag en uur te kennen, maar dat zij zelf de kracht zullen krijgen van de heilige Geest om getuigen te zijn van het Messiaanse Rijk.

16 mei: Zevende zondag van Pasen
Lezingen: Exodus 19, 1-11, Psalm 68,1-14, 1 Johannes 5,9-15, Johannes 17, 6-23
In het gebed tot zijn Vader zegt Jezus over zijn leerlingen: : De wereld haat hen omdat zij niet bij de wereld horen, zoals ook ik niet bij de wereld hoor”. We maken brokken als we die woorden van Jezus lezen als de beschrijving van een toestand, een permanente tegenstelling tussen goed en kwaad. Is Gods woord dan wel door en door geïncarneerd of is het hier aanwezig als een vreemdeling in een vreemd land? Maar de woorden van Jezus gaan niet over een toestand maar over een beweging. Ruimte maken voor die beweging, bereid zijn om vol te stromen van de liefde voor alles wat is – dat is onze voorbereiding op Pinksteren.

23 mei: Pinksteren
Lezingen: Genesis 19,1-11, Psalm 104, 25-35, Handelingen 2,1-24, Johannes 14,8-17
De kleur die het Pinksterfeest typeert, is rood. Het is de vurige kleur van de vlammen die ooit de aanwezigen op die eerste Pinksterdag in Jeruzalem tekenden. Vurig enthousiasme is de sfeer die deze feestdag kenmerkt. Tevens is Pinksteren het feest waarbij alle gelovigen in het zicht komen, van welke achtergrond ook. Pinksteren, het feest met een open blik voor heel die veelvormige christelijke wereld. De evangelielezing loopt uit op de belofte van de Geest, “die altijd bij je zal zijn”. Pinksteren, het feest van Gods Geest die vervreemde mensen met elkaar verbindt.

30 MEI – 20 JUNI: CYCLUS “DE TUIN”
Op zijn ochtendwandeling kwam mijnheer pastoor langs de tuin van één van zijn parochianen. Bewonderend merkte hij op: “Met Gods hulp heb je er een prachtige tuin van gemaakt, Jan!” – “Nou, meneer pastoor, u had hem eens moeten zien toen God het alleen deed!” – Misschien niet een heel relevant grapje, maar zeker in deze tijd moet een mens ook wat te lachen hebben…
Dagblad Trouw besteedde in de weekendeditie van begin april uitgebreid aandacht aan tuinen en tuinarchitectuur. Vermoedelijk sloten zij aan bij het jaarthema van het Nederlands Bureau voor Toerisme: ‘Ode aan het Nederlands landschap’. Dat had ons al op het idee gebracht een cyclus te wijden aan de tuin in de geschriften van enkele mystici. De mystici proberen te zeggen wat onzegbaar is en daarvoor gebruiken ze gewoonlijk beelden. De tuin is al een beeld op zich, met name van de ziel. In die tuin speelt zich van alles af, er is volop symboliek!

30 mei: Zondag Morgen Anders Thema: Ken je mij?
Opening van de serie vieringen over de Tuin in de mystieke traditie binnen en buiten de kerk.
Met deze viering willen we ingaan op de vraag: hoe heeft de tuin buiten jou verbinding met een tuin binnen in jou? Vooraf wordt te zijner tijd nog ter herinnering een uitnodiging doorgestuurd met als opdracht daarbij: Neem iets mee van thuis uit jouw tuin, park in de buurt, wat voor jou symbolische betekenis heeft voor jouw binnenwereld, jouw innerlijke tuin – een bloem of takje – en wat zegt dit over jou?
In de viering willen we ook de verbinding maken met onze omgeving, de wereldtuin waarin we te gast zijn. Hoe we deze wereldtuin kunnen behoeden en bewaren. We denken hierbij ook aan de ‘Groene theologie’.
De verdere invulling blijft nog even een verrassing.
We kunnen elkaar weer live ontmoeten, in de traditie van de ZMA en in verbinding met de volgende reguliere vieringen van de cyclus.

6 juni: Teresa van Avila
Teresa van Avila (1515-1582) hervormde samen met Johannes van het Kruis de orde van de Karmel, en ruimde daarbij een grote plaats in voor het ‘stil gebed’. Meerdere van haar broers waren conquistadores in het pas ontdekte Amerika. Met eenzelfde temperament keerde Teresa zich naar binnen.
In een beroemde passage vergelijkt zij het geestelijk leven met de watervoorziening van een tuin. De eerste manier is als het putten van water: meditatie (gewoonlijk op een passage uit het Evangelie) en gebed, waarbij de gedachten echter voortdurend afdwalen. Met een scheprad gaat het gemakkelijker. Dat is het gebed van rust. De derde manier is wanneer onze vermogens – in het mensbeeld van die tijd zijn dat het verstand, de wil en het geheugen – in slaap zijn. Daarover gaat onze tekst. Er is ook nog een vierde manier; daarbij hoeft de tuinman niets meer te doen, omdat heel het geestelijk werk reeds volbracht is.

Laten we nu de derde manier bespreken waarop de tuin van water wordt voorzien. Het stroomt toe vanuit een rivier of een bron. De besproeiing kost veel minder inspanning, al vraagt het geleiden van het water een weinig arbeid. De Heer wil de tuinman hier helpen. Hij wordt als het ware zelf de tuinier. Hij is het die alles doet.
Het is een slaap van de vermogens. Ze zijn niet helemaal opgeheven maar weten ook niet hoe ze werken. Het genot, de heerlijkheid en de voldoening zijn onvergelijkelijk veel groter dan in het vorige stadium. Het water van de genade stijgt tot de hals van de ziel. (…)

Geeft God de ziel dit verheven gebed, dan kan ze dit alles en nog veel meer, want dit zijn de vruchten ervan. Ze is er zich terdege van bewust dat ze dit doet zonder enige inspanning van het verstand. Ze staat verstomd als zij ziet wat een goede tuinman de Heer is en hoe Hij niet wil dat zij iets doet. Ze moet alleen maar van het aroma genieten van de ontluikende bloemen. De tuinman, die het water schiep, voert het overvloedig aan wanneer Hij komt, hoe kort dit komen ook duurt. Wat die arme ziel door intellectuele arbeid in geen twintig jaar kon verzamelen, schenkt de hemelse hovenier haar in één oogwenk. (…) Deze wijze van bidden mag, naar mij dunkt, duidelijk gezien worden als een vereniging van de hele ziel met God.
(Teresa van Avila, Het boek van mijn leven, 16.1 en 3; 17,2 en 3.)

13 juni: Johannes van het Kruis

Zie de papieren of digitale BERICHTEN voor de gedichten – de 4e, 5e en 17e strofe van het Geestelijk Hooglied, waarin Johannes van het Kruis (1542-1591) de vereniging met de Beminde bezingt. Bij de beproevingen staat hij daar slechts kort stil – de ‘donkere nacht’ is achter de rug en elders beschreven. Nu gaat het om de vruchten van het geestelijk leven.
De oorspronkelijke tekst van het Geestelijk Hooglied bestaat uit veertig strofen van elk vijf regels. Zij behoren tot de parels van de Spaanse literatuur. De dichter ontleende zijn beelden aan het Bijbelse Hooglied en daarmee aan de natuur. Het zijn pastorale liefdesgedichten.
Toen hij ze liet lezen – aan de kloosterzusters wier biechtvader hij was –, vroegen ze hem om uitleg. Zo ontstond een vrij uitvoerig commentaar, waarin hij de hogere stadia van de geestelijke weg stap voor stap uiteenzet. Elk woord uit het gedicht blijkt dan geladen met theologisch-mystieke inhoud. Enkele passages daaruit (niet bedoeld om te lezen tijdens de viering):
• (4) In deze strofe begint de ziel via de beschouwing en de kennis van de schepselen op weg te gaan naar de kennis van haar Beminde, hun Schepper. (…) Alleen de hand van God, de Beminde, kon deze verscheidenheid en grootsheid wrochten en scheppen. (…) Door de beschouwing van de schepselen wordt de ziel intens bewogen tot liefde jegens God, haar Beminde. Zij ziet immers dat deze schepselen door Hem met eigen hand gemaakt zijn.
• (5) In deze strofe krijgt de ziel antwoord van de schepselen. (…) Met groot gemak en in zeer korte tijd schiep God alle dingen en daarbij liet Hij in die dingen een afdruk van Zichzelf achter.
• (17) De noordenwind is een zeer koude wind, die bloemen en planten door zijn aanraking doet verdorren en verwelken of op zijn minst de oorzaak is dat zij in elkaar schrompelen en hun kelken sluiten. Geestelijke dorheid en affectieve afwezigheid van de Beminde hebben dezelfde uitwerking in de ziel die ze ondergaat, omdat zij het sap, het aroom en de geur der deugden die de ziel genoot doen verflauwen. (…)
• De zuidenwind is een andere wind. Deze zachte bries brengt regen en doet het veldgewas en de planten ontkiemen; hij doet de bloemen ontluiken en verspreidt hun geur. Hij doet dus het tegendeel van wat de noordenwind uitwerkt. Onder deze wind verstaat de ziel daarom de Heilige Geest. Zij zegt dat Hij ‘hernieuwd de liefde wekt’, want als deze goddelijke wind de ziel binnendringt, zet Hij haar geheel in brand; Hij streelt haar, vuurt haar aan en wekt haar wil; Hij prikkelt haar strevingen, die tevoren in een toestand van krachteloosheid en slaap verkeerden, tot liefde voor God.

20 juni: Roemi
De familie van Jalaluddin Roemi (1207-1273) was voor de invallen van de Mongolen uit Afghanistan gevlucht naar Turkije. In Konya stichtte Roemi de school van de dansende derwisjen. De grootste gebeurtenis uit zijn leven was zijn ontmoeting met Shams van Tabriz, een rondreizend soefi met een scherpe tong en veel vijanden. Door hem bereikte Rumi de vereniging met de Beminde. Rumi’s leerlingen waren zo jaloers op de aandacht die hij Shams gaf, dat zij deze in het geheim vermoordden. Rumi heeft lang om zijn plotselinge vertrek getreurd en zijn terugkeer verwacht. Veel gedichten uit zijn Diwan lopen uit op een verwijzing naar Shams, waarin hij hem gelijk stelt met het Al dat Shams voor hem bemiddeld had.
Inleidingen en tekstkeuze 6-20 juni: Charles Steur, m.m.v. Stieneke Harms

27 juni Lezingen: Jesaja 3,25 – 4,6, Psalm 119,9-16, Marcus 5, 22-43
Er zijn in de Bijbel twee soorten van leven: tot bloei komen en gerechtigheid doen. Parallel daar aan zijn er twee soorten dood: je doel missen en ongerechtigheid doen. De twee soorten van leven staan niet los van elkaar: met het leven herwint de Thora zijn kracht, de Thora garandeert leven. Redding nu is zowel redding van doodskrachten als redding tot leven. In de Tora betekent redding een nieuw leven. De kern, het wederzijdse vertrouwen, wordt goed zichtbaar als je beide verhaaldelen van de evangelielezing samenvoegt: de vrouw die aan bloedvloeiing lijdt, raakt Jezus aan, Jezus raakt het meisje dat gestorven is, aan. De vrouw en het meisje zijn samen het volk dat vertrouwt en redding vindt ten leven.

4 juli Lezingen: Ezechiël 2,1-7, Psalm 123, Marcus 6,1-6
“En Hij kwam naar zijn vaderstad”. Dat zal Nazareth zijn, westelijk van het meer van Galilea. Er staat nergens hoe lang Hij onderweg was, maar dat Hij voortdurend rusteloos onderweg was, is duidelijk. “En zijn leerlingen volgden Hem”. Jezus wordt voortdurend achtervolgd, nagejaagd bijna, door massa’s mensen, en hier nu door zijn leerlingen. Zij waren er vanaf het eerste uur al bij. Jezus is nooit zonder zijn leerlingen. Mensen opvissen is een heidens werk. Dat kun je niet in je eentje, Daarom zijn er geloofsgemeenschappen, daarom is er kerk.

11 juli Lezingen: Jesaja 52,1-6, Psalm 85, Marcus 6,6b-13
Wie het evangelie dient, heeft niet veel nodig om wonderen te kunnen verrichten. Een stok en een par schoenen, en iemand om mee op te trekken. In een wereld waar geld, goederen, eten en drinken al te vaak bepalen wat wij denke nodig te hebben om (een) missie succesvol te laten verlopen, ook in de kerk, is dat iets om ter harte te nemen. En ons te realiseren dat het succes van Gods helden niet van geld en goed afhangt, maar van de bereidheid op reis te gaan, en samen te zoeken naar wegen om Gods aanwezigheid hoorbaar, voelbaar en tastbaar te maken. Samen zijn we meer mans dan alleen, kunnen we elkaar steunen en beschermen, maar ook elkaar op het rechte pad houden en samen besluiten wanneer het tijd is om onszelf uit de modder te trekken en iets anders te proberen.

18 juli Lezingen: Jeremia 23,1-6, Psalm 23, Marcus 6,30-44
De herder is een vaak terugkerend beeld in de Bijbel. De vakkenvuller van de oudheid scoort
Bijzonder laag op maatschappelijk aanzien, en verdient weinig. Maar in de Bijbel is juist hij het toonbeeld van zorg, nabijheid en rechtvaardigheid.
In alle drie lezingen ontstaat hetzelfde beeld: als God niet nabij is, als een herder bij zijn schapen, dan ontstaat hulpeloosheid. De schapen kunnen dan nog prima rondlopen, maar raken verspreid, missen veiligheid en het zo nodige voedsel. Als de Eeuwige er is, in zijn gerechtigheid die de maat wordt voor alle dingen, dan is er voor elk schaap een veilig thuis.