Toelichting leesrooster


Hieronder treft u een toelichting aan op het leesrooster zoals dat ook in ‘De Berichten’ is verschenen.

In de Algemene Leden Vergadering is afgesproken dat we voortaan uitgaan van één lezing van het oecumenisch leesrooster. De voorganger en voorbereiders hebben de keus zelf eventueel een bijpassende tweede (bijbel)tekst te kiezen.

De vieringen worden van te voren opgenomen en verspreid onder de leden cq beschikbaar op deze site om te luisteren. 
 
7 juni: ZondagMorgenAnders: Ontmantelen
 
14 juni: Jesaja 12,1-6, Psalm 100, Matteüs 9,35- 10,15
Dat het koninkrijk van de hemel nabij is, is niet alleen te horen, het is te zien en te ervaren. Zieken worden genezen, doden opgewekt, mensen die aan huidvraat lijden worden rein gemaakt en demonen uitgedreven. Niet alleen door Jezus, maar nu ook door zijn leerlingen. Zij worden “apostelen”. Van leerlingen groeien ze uit naar leiders die zelf op weg gaan, met dezelfde opdracht en autoriteit als Jezus. Om het Koninkrijk te verkondigen en heil en genezing te bieden, overal waar ze komen. De horizon van het Koninkrijk verwijdt zich, en zal zich blijven verwijden.
 
21 juni: Jeremia 20.7-13, Psalm 69, 14-29, Matteüs 10,16-33
De eerste lezing tekent de profeet Jeremia: een tragisch figuur, bespot, gehoond, mishandeld vanwege Gods woord dat hij spreekt. En toch, hij kan niet van Hem loskomen. God is als een vuur in zijn binnenste. Hij vertrouwt op God als zijn rechter aan wie hij zijn zaak kan voorleggen. Jezus waarschuwt zijn leerlingen als ze op missietocht gaan, Ze zullen gevaar lopen, bedreigd worden, gemarteld, maar ze hoeven niet bang te zijn. Gods Geest zal hun bijstaan. Het is een bemoediging die voor ons in het vrije Westen natuurlijk heel anders klinkt dan voor christenen die werkelijk om hun geloof vervolgd worden, Niettemin blijft de vraag: wat is het geloof ons waard? Durven wij kleur te bekennen?
 
28 juni: Jeremia 29,1.4-14, Psalm 89,10-19, Matteüs 10,34-42
De zondag van “Denk niet dat…””. De zondag van het schokkende conflict, het onveilige huis,, het verloren leven. Soms is zulk schokken nodig om daarna weer des te meer die eenvoudige beker koud water naar waarde te kunnen schatten. De lezing uit Jeremia opent daarin perspectief. Je kunt denken aan de interculturele kerken in ons midden: veel christenen uit Eritrea, Nigeria, Irak, Nepal en verder. Zij zoeken inderdaad de vrede voor het land waar ze nu wonen. En ze vragen zich af of ze hun eigen tradities en taal kunnen handhaven, of langzaam, moeten overstappen. Wat moeten ze verliezen om het geloof te behouden? Maar voor ons ligt die vraag natuurlijk ook in elke liturgie te wachten: welke taal, muzikale vorm, hoge of lage liturgische stijl, getuigt blijvend van de beker koud water waar Jezus over spreekt.
 
5 juli: Zacharia, 9, 9-12, Psalm 145,1-12, Matteüs 11,25-30
“Kom naar mij, jullie die vermoeid zijn en onder lasten gebukt gaan, dan zal ik jullie rust geven. Neem mijn juk op je en leer van mij, want ik ben zachtmoedig en nederig van hart. Dan zullen jullie werkelijk rust vinden, want mijn juk is zacht en mijn last is licht”. Deze woorden raken het verlangen van mensen van alle tijden en plaatsen. De rust voor je leven vind je niet op afstand van de wereld, zoals de onbewogenheid van stoïcijnen of de “innerlijke vrede” van veel christenen beloven. Je blijft in de wereld leven, als betrokken mens: de rust krijg je door een nieuwe verhouding tot God en de medemens. Jezus heeft de weg daartoe gewezen.
 
12 juli: Jesaja 55,6-13, Psalm 65, Matteüs 13,1-9.18-23
Jezus kijkt vanaf het schip naar het land. Dat wordt pas goed als het het goede zaad kan ontvangen en doen groeien. Gods woord wordt uitgezaaid over de aarde, kwistig en overvloedig. Het Woord van Israëls God is op de mens gericht met de bedoeling dat Woord en hoorder gaan samenvallen; dan is het mensenzaad goed en kan het honderdvoudig vrucht dragen. Het zaad wordt van buitenaf gestrooid, Israëls God is de compleet Andere, maar tegelijk volkomen nabij. Om te voorkomen dat hemel en aarde van elkaar vervreemden, wil Hij altijd weer zijn zaad uitstrooien, zijn Woord laten klinken en wachten, in iedere tijd opnieuw, op hoorders en doeners van dat Woord.
 
19 juli: Jesaja 40,12-25, Psalm 86, Matteüs 13,24-30.36-43
Het centrale begrip in de zomertijd is “oogst”. Het gaat in deze periode om het dóórbreken van het Koninkrijk Gods. En dan gaat het ook over menselijk gedrag dat dienstbaar is aan dat Koninkrijk. “In het seizoen van de oogst, in de zomer, komt de vrucht ter sprake”(Willem Barnard). Dat thema wordt op deze zomerzondag vanuit een speciale invalshoek belicht. Niet alle menselijk gedrag is immers in overeenstemming met het Koninkrijk. Er groeit op de akker kostbaar graan, maar evengoed onkruid. Vooralsnog is graan en onkruid niet uit elkaar te halen. Het moet dus maar door elkaar blijven staan. Maar dat is geen onverschilligheid: eens komt een oordeelsdag waarop de scheiding plaatsvindt.

26 Juli: 1 Koningen 3,5-12, Psalm 119,121-128, Matteüs 13,44-52
De prediking rond het Koninkrijk van de hemel roept in talrijke beelden op hoe dit Rijk samenhangt met de wereld en tijd waarin de toehoorders van het evangelie leven. Inzicht in dit Koninkrijk vraagt om een luisterbereid hart en onderscheidingsvermogen.
Uit de evangelietekst van deze zondag mogen we begrijpen: Niet geld, luxe of feesten maakt ons gelukkig. Maar de kleine dingen – zoals een lach, een lief woord, een aanbod om te helpen – zijn van onschatbare waarde. Mensen die ons zoiets schenken, zijn stuk voor stuk schatten van mensen,

2 augustus: Nehemia 9,15-20, Psalm 78,13-22, Matteüs 14,13-21
We horen het verhaal van de vijf broden en de twee vissen. Hier is een nieuw Israël. Er is sprake van een nieuw verbond, waarin ook de volkeren meedoen. Alle mensen, zonder onderscheid, worden genodigd aan deze Tafel des Heren. Niet omdat ze geloven, maar omdat ze lijden, omdat ze in duisternis wandelen, omdat ze als schapen zijn zonder herder, omdat ze behoren tot het volk dat de wet niet kent. Jezus doet niet aan identiteitspolitiek. Hij is het licht der wereld, dat opgegaan is voor alle volkeren.

9 augustus: Jona 2, 2-11, Psalm 29, Matteüs 14, 22-33
Jezus’ leerlingen hebben het zwaar in de evangelielezing, omdat de boot op het meer door de golven geteisterd wordt. Petrus raakt door paniek bevangen. “Heer, red me”, schreeuwt hij. Zoals eens Jona in de buik van de vis roept hij in zijn nood de Heer aan. De tegenkanting die ervaren wordt heeft niet het laatste woord. “De stem van de Heer boven de wateren”, zegt Psalm 29,3. Het zijn de stille krachten die de crisis bezweren, het is de verborgen aanwezigheid van God die mensen opricht uit alles wat hen neerdrukt.

16 augustus: Jesaja 56,1-7, Psalm 67, Matteüs 15,21-28
Niet alleen het uitverkoren volk, maar alle volkeren die uit zijn verbond leven zijn welkom bij God, vertelt de Jesajatekst ons. Het is een vrouw uit een vreemd volk door wie Jezus zich laat overtuigen, vertelt Matteüs.
Gods gebedshuis is zo wijd als de wereld. Het dient de ruimte van de wereld in zich te herbergen. In de tempel (“daar staan de zetels van het recht”-Ps. 122,5), toonbeeld voor het onderhouden van Gods recht, is er principieel plaats voor alle volkeren.

23 augustus: Jesaja 51,1-6, Psalm 138, Matteüs 16,21-27
De aanhef van Jesaja 51 maakt direct al duidelijk dat het niet woorden voor iedereen zijn. Hij richt zich tot mensen die gerechtigheid najagen en de Eeuwige zoeken. Die worden op een spoor gezet.
In het Matteüs-evangelie horen we Jezus zeggen: wie Hem wil volgen, moet zijn kruis opnemen. Jezus heeft het hier over zichzelf en zijn leerlingen achter Hem aan. Hem volgen is de Gekruisigde volgen. Dat bijna niet te dragen kruis moet de leerling opnemen, eventueel mee-opnemen.

30 augustus: Jeremia 7,23-28, psalm 105,1-7, Matteüs 17,14-20
(In verband met Augustinuszondag kunnen ook andere teksten gekozen worden)
De eerste lezing is één bittere klaagzang over de onwil van het volk om te gehoorzamen, te luisteren. Alles wat God van het volk verwacht, doet het volk niet. God is geërgerd door zoveel ontrouw.
Geërgerd is ook Jezus in het evangelie. “Hoe lang moet ik jullie nog verdragen?”, roept hij uit naar zijn leerlingen. Hadden jullie maar een weinig geloof, zo klein als een mosterdzaadje: je zou bergen kunnen verzetten.

6 september: ZondagMorgenAnders
Als gij niet opnieuw wordt als de kleine kinderen, zult gij het Rijk der hemelen zeker niet binnengaan.

Wat wil Jezus daarmee zeggen? Wat heeft een kind wat wij misschien verloren zijn?
Of hebben we het terug gevonden?
Een kind verwondert zich, is onbevangen, spontaan en…speelt.
In Prana maart 2013 las ik:

BLIJF SPELEN:
Het is niet zo dat je niet meer speelt omdat je oud bent,
Je bent oud omdat je niet meer speelt. 
Hoe is het met het kind in jou?

Tot 6 september, misschien in de kapel?

Maria van Kuijen

13 september: Exodus 32,7-14, Psalm 103,8-12, Matteüs 18,21-35
Als een ander je kwaad berokkent, je bedreigt, bedriegt, of oneerlijk behandelt, dan doet dat pijn. Zo iemand vergeven is niet gemakkelijk. Daarvoor moet je jezelf overwinnen. Vergeven kan eigenlijk pas als die ander berouw toont en excuses aanbiedt. Petrus worstelt met de vraag hoe vaak hij een ander moet vergeven. Hoe ver moet je gaan, hoe ver kun je gaan? Jezus maakt duidelijk: God vergeeft als wij ook elkaar vergeven.

20 september: Jona 3,10 – 4,11, Psalm 145,1-12, Matteüs 20,1-16
(In verband met Vredeszondag kunnen ook andere teksten worden gekozen)
We horen van Jona die niet begrijpt dat God de inwoners van Ninive wil sparen. We horen van de arbeiders van het eerste uur die niet begrijpen dat de werkers van het elfde uur hetzelfde loon ontvangen. De vraag is gerechtvaardigd of wij wel van harte kunnen meemaken dat God genadig is en tot vergeving bereid. Of kunnen wij het ook niet hebben dat God de zon laat schijnen over goeden en kwaden, en dat ons aan het einde van de dag dezelfde beloning wacht als degenen die zich pas op het laatste moment bekeerd hebben?

27 september – 18 oktober: Cyclus Vrouwen in het Oude Testament

Cor Spithoven (Citaten uit “De Eerste Dag”